Volg ons op Instagram

Snelcursus

terug

Relatief risico

Een relatief risico
In veel wetenschappelijke artikelen wordt gesproken over een relatief risico. Hiermee wordt het risico op het krijgen van een ziekte ten opzichte van een andere groep bedoeld (vaak een placebo– of controlegroep). Bij de interpretatie van zo’n relatief risico is het echter wel belangrijk om te weten hoe vaak die ziekte überhaupt voorkomt.


Een voorbeeld
Stel dat je de volgende (fictieve) zin leest: “Supplement X verlaagt de kans op het krijgen van ziekte Y met 20%”. Dat klinkt als een hele mooie uitkomst. Maar stel nu dat ziekte Y slechts bij één op de 1000 mensen voorkomt, wat verandert er dan?

Om dit te illustreren hebben we de volgende rekensom:

Ziekte Y komt bij 1 op de 1000 mensen voor. Dat betekent dus dat elke willekeurige persoon een kans van 0,1% heeft om de ziekte te krijgen. Op het moment dat je supplement X gebruikt, verlaagt dit de kans met 20%, maar dat is slechts het relatieve risico ten opzichte van mensen die het supplement niet gebruiken. De absolute verlaging is 20% van de 0,1% kans die iedereen al heeft; dat is een verlaging van 0,02%. Dat betekent dat de kans op het krijgen van deze ziekte met het gebruik van dit supplement 0,08% (0,1% – 0,02%) is.

Om dit te vertalen naar absolute getallen: Van een willekeurige 5.000 mensen krijgen slechts 5 mensen ziekte Y. Als al deze mensen supplement X zouden gebruiken, krijgen 4 mensen ziekte Y. Kortom, er moeten 5.000 mensen behandeld worden met supplement X om één ziektegeval te voorkomen (de zogenaamde number needed to treat).

Op het eerste oog lijkt die relatieve verandering van 20% dus heel hoog, maar in absolute aantallen, is dit helemaal niet zo indrukwekkend.




Uitleg figuur:

In het rood staan de mensen die uiteindelijk een bepaalde ziekte zullen krijgen. In de groep links boven zijn dit 10 van de 20 mensen (50% van de groep). Bij een verhoogd risico van 20% worden dit er 20% meer–> 2 mensen meer. In totaal dus 12 van de 20 mensen die de ziekte zullen krijgen (60% van de groep).

In de tweede groep onderaan komt de ziekte minder vaak voor. Slechts 5 van de 20 mensen krijgen het uiteindelijk (25%). Bij een verhoging van 20% krijgt slechts 1 extra persoon de ziekte en zullen uiteindelijk 6 mensen getroffen worden (30%).

Klik hier voor het originele artikel op MedicusOnline.nl

terug